HOE KOMT EEN CIJFER BIJ
DAMES TURNEN TOT STAND?
Het cijfer dat door de jury
in de turnsport wordt
gegeven is af en toe
moeilijk te begrijpen. Zeker
nu er boven de 10.00 punten
gescoord kan worden voor een
oefening. Daarom maar eens
een korte uitleg over hoe
een cijfer tot stand komt.
D-score en E-score
Een cijfer is opgebouwd uit
een D-score en een E-score.
De D staat voor difficulty
wat moeilijkheid betekent.
Iedere oefening heeft zijn
eigen moeilijkheidsgraad. De
E staat voor excercise wat
uitvoering betekent. De
E-score start in principe
vanaf 10 punten. De jury
trekt van deze 10 punten de
fouten af.
Verplichte/Voorgeschreven
oefenstof
Voor de leeftijdscategorieën
instap t/m jeugd 1 zijn er
verplichte oefeningen. De
categorie waar je in zit
hangt af van je
geboortejaar. De jongsten
zijn de pré-instappers,
daarna komen de instappers,
de pupillen 1 en 2 en de
jeugd.
Iedereen
van dezelfde leeftijd in
hetzelfde niveau turnt dus
dezelfde oefening. Doordat
de oefeningen verplicht
zijn, is de basis D-score
van iedere oefening vooraf
al bekend. Als de
turnster alle onderdelen
herkenbaar uitvoert heeft
zij bijvoorbeeld een D-score
van 4.40 (dit varieert van
3,00 tot 4,80). Zou de
turnster alle onderdelen ook
nog perfect uitvoeren krijgt
zij 10 punten voor de
uitvoering (de E-score). De
hoogste score die de
turnster kan halen is de D
en de E score bij elkaar
opgeteld, dus een 14.40.
Er zijn vier basisniveaus op
districtsniveau: D1, D2, D3
en D4 en vier op Nationaal
niveau: N1, N2, N3 en N4.
DOK doet mee op
districtsniveau. Binnen de
vereniging zijn
clubwedstrijden op D4
niveau. Voor D1, D2 en D3
niveau zijn er ook regionale
wedstrijden (waarbij D1 dus
het moeilijkst is).
Bonus/malus bij de D-score
Voor sommige onderdelen
staat een vervangend
onderdeel in de oefenstof.
Dit kan een makkelijker of
een moeilijker onderdeel
zijn wat natuurlijk invloed
heeft op de D-score.
Voorbeeld: bij balk mag bij
sommige niveaus gekozen
worden voor een koprol of
een radslag op de balk. De
koprol wordt gezien als een
makkelijker onderdeel en dat
betekent dat de D-score met
0.30 omlaag gaat (malus). De
maximaal haalbare score voor
deze oefening wordt dan
14.10. Het kan uiteraard ook
andersom. Als de turnster de
overslag op vloer doet in
plaats van een arabier die
als basis in de oefening
staat, gaat de D-score
omhoog met 0,30 (bonus).
N-score
Binnen de verplichte
oefenstof zijn er een aantal
mogelijkheden ingebouwd die
een turnster in staat stelt
tot een hogere D-score te
komen. Wat er ook kan
gebeuren is dat een turnster
een onderdeel vergeet of
bewust niet doet. Als de
turnster het onderdeel echt
niet heeft geprobeerd dan
gaat er 0.3 van de D-score
af. (De oefening wordt
makkelijker want er wordt
een onderdeel niet
uitgevoerd). Dat is echter
niet het enige. Er gaan dan
ook 2 punten van de neutrale
aftrek af. Dit is de N-score.
Het niet uitvoeren van een
element leidt in totaal dus
tot 2.30 punten aftrek.
E-score
Terug naar de E-score. Zoals
al gezegd worden van de
E-score de foutjes
afgetrokken. Valt een
turnster dan kost dit haar
1,0 punt. Een kleine wiebel
op balk is 0,10 punt eraf,
een middelmatige wiebel is
0,3 en een hele grote wiebel
is een 0,5 punt eraf. Zo
zijn er een heleboel dingen
waar de jury naar kijkt en
waarvoor aftrek geldt als de
onderdelen niet correct
worden uitgevoerd.
De jury
In geval van twee juryleden
jureren zij allebei de
oefening. De jury mag een
halve punt uit elkaar zitten
wat betreft de aftrek van de
E-score. Vervolgens wordt
het gemiddelde genomen van
de aftrek van de juryleden
en dit wordt de totale
aftrek. Voor elk toestel is
er voor elk niveau (in de
verplichte oefenstof) een
oefening gemaakt met een
basis D-score. Hoe hoger het
niveau hoe moeilijker de
oefening maar ook hoe hoger
de basis D-score.
De keuze oefenstof
Vanaf de categorie jeugd 2
is er keuze oefenstof. Dit
gaat weer op geboortejaar.
En dit begint zo’n beetje
vanaf de middelbare school.
Daarna zijn de categorieën:
junior en senior. Ook hier
zijn weer veel verschillende
niveaus: A tot en met H. DOK
doet mee met niveau D tot en
met H, waarbij H het laagste
niveau is en A het hoogste
niveau.
Samenstellingseisen
Deze oefenstof zit iets
anders in elkaar dan bij de
verplichte oefenstof wat
betreft de D-score. In de
keuze oefenstof mag er zelf
gekozen worden welke
onderdelen in een oefening
worden geturnd. Er gelden
natuurlijk wel bepaalde
samenstellingseisen waaraan
de oefening moet voldoen.
Dit noemen we afgekort SE.
Voor elk niveau zijn er vijf
SE, elke SE kan maximaal een
halve punt opleveren. Dit
betekent dat wat betreft de
samenstelling er dus
maximaal 2,50 punt kan
worden verdiend door alle SE
te voldoen. Deze 2,5 punt
worden opgeteld bij de
D-score. Mis je een SE, dan
kost het je een halve punt
per eis. Per niveau zijn er
andere eisen.
Elementen in de oefening
Naast de samenstelling gaat
het natuurlijk om welke
elementen er worden geturnd.
In het FIG (het regelement
met alle bestaande
elementen) staan de
elementen ingedeeld op
moeilijkheidswaarde. De
makkelijkste zijn de TA
elementen dit zijn
Toegevoegde A elementen.
Deze leveren 0,1 punt op.
Vanaf niveau D zijn TA
elementen niets meer waard.
Daarna komen de A elementen.
Deze zijn ook 0,1 waard.
Daarna worden de elementen
steeds moeilijker en worden
ze steeds 0,1 meer waard.
Het gaat zelfs tot G
elementen. Maar deze zijn zó
moeilijk dat je ze zelfs op
de Olympische Spelen bijna
nooit ziet. Per niveau loopt
het aantal elementen die je
moet turnen op. Een turnster
moet minimaal 6 of 7
elementen turnen, meer mag.
Dit kan bijvoorbeeld worden
gedaan om de bepaalde eisen
of meer verbindingswaarde
(zie onder) te halen. Elk
onderdeel wordt overigens
wel beoordeeld. Dus ook al
tellen alleen de hoogste 7
elementen, als er 14 worden
geturnd kan er in alle 14
worden afgetrokken. Als de
turnster maar 4 of 5
elementen turnt (te weinig
dus) gaat haar E-score met 4
punten omlaag. Zij kan dan
dus maar voor de E-score
maximaal een 6 halen. Dit
gebeurt wel eens als een
oefening halverwege door een
val wordt onderbroken en de
turnster niet meer verder
kan.
Verbindingswaarde
In de niveaus kun je ook nog
punten halen door elementen
aan elkaar te koppelen. Als
een turnster bijvoorbeeld
een B element in combinatie
met een A element turnt
krijgt ze hier ook nog 0,1
punt extra voor. Stel dat
een turnster nog tweemaal
een verbindingswaarde (vw)
heeft gehaald dan krijgt ze
dus hier nog 0,2 extra voor.
Ik hoop dat het zo iets
duidelijker is over hoe een
cijfer tot stand komt. Er is
een altijd een tekort aan
juryleden. Dus mocht u na
dit verhaal denken dat wil
en kan ik ook, dan worden er
worden met enige regelmaat
cursussen georganiseerd. U
start altijd met de TD1
cursus als u deze heeft
gehaald kunt u al verplichte
oefenstof jureren. Voor de
andere niveaus kunt u daarna
nog de TD2 en de TD3 cursus
volgen. Ook zijn er
jurycursussen voor TH
(turnen heren), trampoline
springen, groepsspringen,
rhonrad en acro.
Mocht u interesse hebben dan
is er meer info te vinden op
de KNGU site of kunt u
mailen met
jojannekevanderboom@gmail.com
voor meer informatie. |